Geplaatst op

Covid-19 – De kwaal en het middel

Deel 1: Aanzet voor een macrobiotische benadering. Door Jan Box

Nu we in Nederland en België de pandemie stilaan hebben doorstaan, is het interessant om het hele gebeuren eens kritisch vanuit de groothoeklens van het eenmakend beginsel te bekijken en er een aantal lessen uit te trekken met het oog op de toekomst.

Wat is het Coronavirus?
Het virus dat door de Wereldgezondheidsorganisatie SARS-Covid-19 en door de Corona Study Group van de International International Committee on Taxonomy of Viruses (CSG) SARS-CoV2 werd genoemd, hoort bij de grote familie van coronavirussen die hun naam kregen vanwege de kroonachtige krans van uitsteeksel op de buitenkant van het virus. Er zijn tot nog toe 30 stammen van bekend die in dieren voorkomen, maar waarvan 7 ook bij mensen en daar de luchtwegen aantasten met aandoeningen gaande van een gewone verkoudheid of griep tot een ernstige longontsteking en verstikking.

De coronavirussen worden ‘zoonotische’ virussen genoemd omdat ze van dieren op mensen kunnen overgaan. Andere leden van deze familie is het SARS-virus dat in 2002 met het Severe Acute Respiratory Syndrome in 37 landen 8.000 besmettingen met 750 doden veroorzaakte en het MERS virus dat met het Middle East Respiratory Syndrome van 2012 tot 2015 in 20 landen 2.000 besmettingen met 600 doden teweeg bracht. Zoals de naam al aangeeft, zou SARS-Covid-19 een gemuteerd Sarsvirus zijn dat een nieuwe luchtwegeninfectie, de COVID-19 (corona virus disease)-19, teweegbrengt. Tot nu toe onderscheidt het zich van SARS en andere coronavirussen door zijn snelle en wereldwijde verspreiding. Ook de vernielingen die het in de longen in sommige gevallen aanbrengt kunnen vlug en ernstig optreden.

De wereldwijde ophef die dit virus maakt, staat in schril contrast met zijn grootte. Op de punt op het einde van deze zin passen er ongeveer 10.000 van. Zoals elk virus heeft ook Sars-Covid-19-virus maar twee bedoelingen: zich in leven houden en zo vlug en wijdverbreid mogelijk voort te planten. Daartoe dringt het bepaalde lichaamscellen binnen om eiwitten en andere elementen te nemen. Je zou virussen dus enigszins als voortvarende parasieten kunnen beschouwen. Een keer ze zich voldoende vermeerderd hebben surfen virussen naar andere lichamen voordat ze door een goed werkend immuunsysteem onschadelijk gemaakt worden.

Waar komt het SARS-Covid-19-virus vandaan?
Het werd voor het eerst opgemerkt door Li Wen Liang, een 34-jarige oogarts uit Wuhan in de Chinese provincie Yunan. Hij meldde het aan de overheid, maar werd monddood gemaakt en stierf later zelf aan de ziekte.

 Li Wen Liang

Onderzoekers vonden later het DNA van het virus op vleermuizen en schubdieren die op een dierenmarkt in Wuhan werden verhandeld. Op deze zogenaamde ‘wet markets’ worden allerlei dieren in walgelijk onhygiënische en onethische omstandigheden in kleine kooien gehouden, geslacht en verkocht. Naast gedomesticeerde dieren zoals kippen en varkens, vind je er ook slangen en andere reptielen, vleermuizen en schubdieren die als ‘bush meat’ zeer gewild zijn om hun vlees of om hun vermeende medische eigenschappen volgens de traditioneel Chinese geneeskunde. Andere coronavirusstammen gingen al van vliegende honden, dromedarissen, geiten of varkens op de mens over. Inmiddels werden wet markets officieel door de Chinese overheid verboden.
Op sociale media circuleren veel trollen en paranoïde complottheorieën over dit virus die ik hier laat voor wat ze zijn.

 Dierenmarkt in Wuhan

Hoe besmet het SARS-Covid-19-virus de mens?
Eenmaal het virus de mens als ongevraagde gastheer gekozen heeft, verspreidt hij zich door de lucht via druppels die door hoesten of niezen naar buiten komen en binnen een minuut op ongeveer een meter afstand op de grond vallen. Maar het virus verspreidt zich ook door verstuiving via wolken van fijnere druppels, zogenaamde ‘aerosolen’, dat gebeurt bij hard puffen tijdens intensieve bewegingen, praten, roepen of zingen. In vochtige ruimtes kunnen deze fijne druppels langer blijven zweven. Ideale plaatsen voor het virus zijn dus fitnesscentra, dancings, restaurants, markten en koren. De twee eersten zijn voor het virus ’je van het’: er zijn veel mensen dicht bij elkaar in een gesloten,vochtige ruimte waarin veel gegymd, gedanst, geblazen, gepraat en geroepen wordt.
Volgens sommige onderzoekers zou het virus zich ook via fijne stofdeeltjes kunnen verplaatsen, bijvoorbeeld op plaatsen waar gerookt wordt of in steden met luchtvervuiling. Ook door aanraking van de mond of neus kan verspreiding plaatsvinden.

Ten slotte kan het virus ook nog enige tijd door aanraking van besmette voorwerpen overgedragen worden. Over hoe lang die periode is en welke soorten voorwerpen is nog geen eensgezindheid tussen onderzoekingen. De metingen verschillen naargelang de aard van het oppervlak van een uur tot meerder uren. Deurklinken, trapleuningen en handvatten komen het meest in aanmerking omdat ze vaak door veel mensen kort na elkaar worden aangeraakt.

Is COVID-19 erg besmettelijk?
Hoe meer mensen dicht bij elkaar in een, kleine afgesloten ruimte zitten of rondlopen, hoe groter de kans op overdracht van het virus. Heb je veel sociale contacten, dan heb je ook meer kans om zelf besmet te raken en anderen te besmetten. Afgezien van deze twee feiten, valt de besmettelijkheid op zich best mee. Bij het begin van de pandemie deelde het Nederlands Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) mee: ‘De ziekte lijkt, met wat nu bekend is, niet heel besmettelijk. De ziekte lijkt niet makkelijk van mens op mens overdraagbaar.’

Om besmettelijkheid te meten heeft de epidemiologie een wiskundige formule. Dit reproductiecijfer R bepaalt hoeveel andere personen een bepaald persoon heeft besmet. Als 1 persoon 1 andere besmet, dan is R=1, besmet die persoon 2 andere dan is R=2. Bij een gewone seizoensgriep is het reproductiecijfer R=1,75, je besmet dan gemiddeld een tot drie anderen. Bij COVID-19 is dat 2,25, je besmet dan vier tot vijf mensen. Het is dus iets besmettelijker dan een gewone griep. Veel courante infectieziekten zijn veel besmettelijker, bijvoorbeeld TBC: R=10, bof:11, mazelen: 15 of kinkhoest:16.

Maar COVID-19 verspreidt zich niet gelijkmatig maar ongelijkmatig in explosieve uitbraken waarbij een klein aantal mensen op korte termijn veel mensen besmet. In dat geval zou 10% van de geïnfecteerden 80% van de nieuwe gevallen veroorzaken. Epidemiologen kennen zelfs gevallen waarbij 1 drager 2.500 anderen besmette. Grotere lading van virussen, te zwak of te sterk werkend immuunsysteem en vluggere eliminatie zijn mogelijke verklaringen door deze ‘superspreaders’. Macrobiotisch bekeken lijkt het er veeleer op dat hier een sterke afweer werkt die veel in eens elimineert.

Hoe verloopt COVID-19?
Na de besmetting duurt het 5 tot 14 dagen voordat er symptomen verschijnen. De meeste mensen reageren met lichte tot matige tekenen. Bij de lichte symptomen horen: vermoeidheid, lichte koorts en een droge hoest. Keelpijn, hoofdpijn, pijnen in het hele lichaam, diarree, aangetast reuk- en smaakvermogen, huiduitslag of paarse verkleuringen in vingers en tenen zijn matige symptomen die minder vaak voorkomen. Nog minder vaak komen de ernstige symptomen voor: kortademigheid, ademhalingsmoeilijkheid, gevoel van pijn en druk op de borst en aantasting van het spraak- en bewegingsvermogen, vochtophoping in de longen, toenemend zuurstoftekort (anoxie), verlaagd zuurstofgehalte in het bloed (anoxemie) en verstikking

Volgens de Engelse Epidemioloog Daniel Davis (in zijn boek ‘immuun’) sterven mensen op de intensieve zorg doordat op korte tijd te veel afweercellen worden gestimuleerd die op hun beurt cytokines aantrekken, stoffen die nog andere immuuncellen mobiliseren. Hierdoor ontstaat een kettingreactie (cytokinestorm) waarop het lichaam met een auto-immuun respons reageert en het hele immuunsysteem wordt ontregeld. Door de ontstekingsreacties vullen de longen zich met vocht zodat de persoon in ernstige ademnood komt en ten slotte stikt.

Mensen blijken heel verschillend op het virus te reageren: We kunnen hier vier groepen in onderscheiden:

  • Groep 1: Een grote groep is wel besmet, maar heeft nergens last van, de zogenaamde asymptomatische gevallen. Zij komen niet in de statistieken terecht, maar kunnen het virus wel doorgeven. Volgens de Belgische viroloog Marc Van Ranst gebeurt dat het vaakst.
  • Groep 2: Een tweede grote groep krijgt de bovenbeschreven lichte tot matige klachten. Zij mogen thuis uitzieken en zijn na een paar weken weer beter. Zij kunnen tot veertien dagen nadat ze genezen zijn, wel nog anderen besmetten. Zij worden wel in de statistieken verwerkt voor zover ze zich bij de huisarts of elders hebben gemeld.
  • Groep 3: Een kleinere groep krijgt ernstige klachten, wordt in het ziekenhuis behandeld met symptoomverlichtende medicatie en krijgt indien nodig zuurstof toegediend. Sommigen mogen na een aantal weken het ziekenhuis verlaten, maar hebben nog maanden nodig om opnieuw op krachten te komen. Anderen houden er aangetaste organen (hart, nieren, milt, zenuwstelsel, …) aan over.
  • Groep 4: Een deel van de vorige groep verhuist naar de intensive care-afdeling waar ook nieuwe zwaar zieken van buiten toekomen. De zieken van deze groep wordt op hun buik gelegd, in kunstmatig coma gebracht, aan de beademingsmachine gehangen en de vitale functies worden constant gemonitord. 42% van hen haalt het niet.

Macrobiotisch kunnen we dit verloop als volgt interpreteren:
Groep 1 heeft een relatief sterke constitutie en conditie en goed werkende weerstand die het virus ongemerkt afstoot. Energetisch is hun conditie waarschijnlijk niet al te extreem. Dat kan ook verklaren waarom In deze groep vaak kinderen onder jonger dan 12 jaar voorkomen.
Groep 2 is meestal tussen 12 en 40 en heeft nog een redelijke conditie en afweercapaciteit. Energetisch is hun conditie mogelijk al extremer.
Groep 3 is meestal tussen 40 en 65 en heeft een verzwakte algemene conditie en een aangetaste immuniteit door diverse onderliggende condities (comorbiditeit). Naargelang de sterkte van hun constitutie en de resterende afweercapaciteit kunnen ze nog herstellen. Merkwaardig is ook dat in deze groep sommigen na een periode van herstel een plotse opflakkering krijgen die hen meteen naar de intensieve zorgen brengt. Deze groep heeft al duidelijker een extreme conditie. Dat blijkt ook uit de energetisch extreme aard van de al eerder aanwezige ziekten (Zie boven).
Groep 4 is doorgaans ouder dan 70. Hun conditie is verzwakt door de leeftijd en vooral door meerdere onderliggende condities. 10 tot 20% overleeft de kritieke toestand dankzij een combinatie van hun sterke constitutie en de medische verzorging. Het is niet altijd duidelijk uit te maken of sterfgevallen van groep 3 en 4 aan de longontsteking dan wel aan de onderliggende condities te wijten zijn. Maskeringen van de ene oorzaak door de andere of een combinatie van beide oorzaken zijn mogelijk.

Macrobiotisch bekeken is COVID-19 een extreme ziekte met een onvoorspelbaar verloop van een aanvankelijk milde fase met jinne symptomen meer in de bovenste luchtwegen zoals niezen en keelpijn samen met hoofdpijn. Deze fase kan naar een tweede, jangere, fase overgaan die zich in de onderste luchtwegen manifesteert, tot diep in de longblaasjes en de bloedvaten in de longen die deels of volledig worden uitgeschakeld.

Ook de nasleep bij personen van groep 3 en vooral groep 4 die weer naar huis mogen, maar toch blijvende letsels in belangrijke vitale functies overhouden, wijst op een agressiever, meer naar binnen dringend soort virus dan de doorsnee griep, virale of bacteriële longontsteking. In dat opzicht lijkt Covid-19 zelfs driester dan SARS.

Hoe groot is de omvang en ernst van de pandemie in Nederland en België?
Omdat we in Nederland en België al in de ‘exit fase’ zijn aangeland, kunnen we toch al een voorlopig maar toch duidelijk beeld krijgen van de omvang en ernst van de pandemie in onze landen.

In België telde Sciensano, het Belgische instituut voor Gezondheid, op 5 juni 68.125 bevestigde gevallen, waarvan 9.5669 overlijdens. Van de groep die in het ziekenhuis werd opgenomen (groep 3 en 4) is 24,1% tussen 80 en 89 jaar (14,1%), 20,7% tussen 70 en 79 jaar, 17% tussen 60 en 69, 15,1% tussen 50 en 59, 8,2% tussen 40 en 49, 4,9% tussen 30 en 39, 1,9% tussen 20 en 29, 0,5% tussen 10 en 19 en 1,2% jonger dan 9.

De gemiddelde leeftijd van de opgenomen patiënten (groep 2, 3 en 4) is 71 jaar. Die verblijven daar ongeveer 8 dagen. 65% van hen mag naar huis, 22% overlijdt, terwijl 13% van die groep op de intensieve zorg belandt. De personen op de intensieve verzorging (groep 4) zijn gemiddeld 62 jaar, 42% van hen overlijdt, de overleden patiënten zijn gemiddeld 82.

Opvallend is dat kinderen tot 12 jaar minder vaak ziek zijn, mildere symptomen hebben en het virus minder doorgeven. Bij groep 3 en 4 hebben de meeste patiënten al een onderliggende conditie die het meest aanwezig is in de leeftijdsgroep boven de 60. De meest voorkomende problemen zijn hoge bloeddruk (56%), hart- en vaatziekten (48%), diabetes (27%), chronische nierproblemen (18%) en chronische ademhalingsaandoeningen (17%). In de categorie van 45-60 komt behalve dezelfde comorbiditeiten vooral ook nog obesitas voor (13%) en verder immuniteits- en neurologische stoornissen.

Bij groep 3 en 4 neemt het risico op overlijden toe met de leeftijd: 90% van de overledenen is ouder dan 64 jaar en het risico is groter bij mannen dan bij vrouwen. Bij de leeftijdscategorie jonger dan 64 van deze groepen overleed tot nu toe 82%. (Sciensano)

Op 5 juni telde het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Nederland 47.152 Covid-19 gevallen, waarvan 6.005 overledenen. De verspreiding over leeftijd en geslacht loopt ongeveer parallel met België.

Donderdag 4 juni deed Jaap Van Dissen, directeur van het RIVM, de volgende officiële mededeling tijdens een technische briefing voor de tweede kamer:

Meer dan de helft van de 5.977 overleden patiënten is ouder dan 83 jaar en bij 70% van de overleden patiënten is ere sprake van onderliggend lijden. 98% van de Nederlanders die besmet zijn, hebben amper tot weinig klachten en slechts 1,5% hoeft te worden opgenomen in het ziekenhuis en slechts 0,35% op de intensive care.’ (RIVM). Dat is een goede samenvatting van de omvang en ernst van Covid-19 in de Lage Landen.

Hoe is de toestand wereldwijd?
In februari riep de Wereldgezondheidsorganisatie Covid-19 officiëel uit tot pandemie, nadat het ernaar uit zag dat de nieuwe ziekte zich over verschillende continenten begon te verspreiden. Op 5 juni gaf de WHO de toestand in de wereld als volgt weer

In het totaal zijn er 6.602.433 bevestigde gevallen bekend, dat is 0,08% van de wereldbevolking of 8 op 10.000 mensen ter wereld. Hiervan overleefden 6.211.5976 of 99% van de wereldbevolking en stierven 391.695 of 0,005% van de wereldbevolking of 5 op 100.000 Aardebewoners.
Hierbij dient opgemerkt dat op de meeste continenten de pandemie nog niet over haar piek heen is.

Op de onderstaande tabel is een overzicht van de toestand van de wereldwijde verspreiding van Covid-19 op 5 juni 2020 weergegeven.

 ContinentBevolkings
aantal in  miljoen
 Aantal  gevallen P.M. v. bevolkingAantal doden% van  aantal gevallen
 Afrika 1.216 169.823 0,13 4.713 2,77
 Azië 4.463 1.244.715 0,27 32.885 2,63
 Amerika 1.000 3.161.754 3,16 176.188 5,57
 Europa 741,4 2.017.436 2,71 177.828 8,81
 Oceanië 34 8.705 0,25 131 1,55
 Totaal 7.454,4 6. 602.433 0,08391.695 0,50

Covid-19 wereldwijd (Hopkins University)
In berichtgeving worden meestal absolute cijfers gebruikt die altijd indrukwekkend lijken en een angstwekkend effect op de bevolking hebben. Hoewel de pandemie als een wereldwijde ramp wordt voorgesteld, is het realistischer als de gegevens in perspectief worden voorgesteld in vergelijking met andere landen en continenten. Ook het in percentages presenteren van cijfers relativeert een en ander. Zo zien we dat in heel Europa na drie maanden maar 2 à 3 mensen op honderd met Covid-19 zijn besmet en er gemiddeld maar 8 of 9 mensen op honderd aan gestorven zijn. Een gelijkaardige conclusie geldt tot nu toe voor de hele wereld. Ook de relatieve getallen voor België en Nederland sluiten hierbij aan.

Dat we niet hoeven te schrikken en te beven blijkt ook als we de cijfers van de pandemie met andere epidemies vergelijken. Jaarlijks hebben wereldwijd ongeveer 20 miljoen mensen een gewone seizoensgriep, terwijl we na een half jaar Covid-19 nog maar aan 6,6 miljoen zitten. 290 tot 650.000 van zo’n griep sterven eraan, met Covid-19 tellen we dusver 391.095.
Maar cijfers zijn alleen een kwantitatief gegeven, de ernst van Covid-19 schuilt vooral in de vlugge overdracht en verspreiding van het virus en het onvoorspelbare verloop met ups en downs.

Maar het meest dramatische is het persoonlijke leed van de heftigheid en de ademnood die de longontsteking bij een minderheid van de besmette personen teweeg kan brengen, evenals de nasleep van allerlei klachten tijdens de lange herstelperiode. Door onderzoek komen er ook steeds meer aanwijzingen dat een zware vorm van infectie diepe sporen kan nalaten. Het gaat dan om aantasting van vitale organen en systemen zoals hart en hartvaten, nieren, zenuwstelsel en uiteraard de immuniteit zelf.

Lockdown en open up
Een tijd nadat de WHO gewaarschuwd had dat er een pandemie zich vanuit China verspreidde en in Noord-Italië de eerste grote Europese uitbraak kwam, begon België de organisatie van de ‘lockdown light’ om de epidemie weerwerk te kunnen bieden, terwijl Nederland het nuchterder bekeek en met een afwachtende houding rekende op de groepsimmuniteit. Later besloot de Nederlandse regering toch ook maar de Franse en Belgische methode te volgen.

Omdat de Belgische noodregering noch de wetenschappers wisten hoe ernstig het nieuwe coronavirus hier tekeer zou gaan en gealarmeerd door de ziekenhuisbeelden uit China en Noord-Italië, koos België voor de harde aanpak naar Chinees model, maar in gemilderde, minder totalitaire vorm. ‘Blijf in uw kot’ had Minister Maggy De Block in het onverbloemd schoon Vlaams geroepen om zeker geen lagen van de bevolking over te slaan. De ophokplicht werd ingevoerd, alleen essentiële verplaatsingen mochten nog, iedereen moest aan ‘social distancing‘ doen en een elleboog in plaats van een hand geven. Er werd op aangedrongen dat je vooral niet zou vergeten om vaak je handen te wassen. Mondkapjes moesten verhinderen dat je anderen besmette, al begrijpen de meest Belgen nog steeds niet goed wanneer wel en wanneer niet. Gisteren zag ik nog een stel met mondkapjes op door het veld fietsen! De grenzen, scholen, de meeste winkels, kantoren, horeca en bedrijven gingen dicht. Openbaar vermaak, en cultuur mochten niet meer.

Een heel netwerk van commissies van experts en regeringsfunctionarissen werd opgezet om de ‘coronacrisis’ te managen en te monitoren. Dagelijks verschenen, inmiddels tot vedetten geëvolueerde, virologen, microbiologen en epidemiologen op televisie om de laatste stand van zaken te verklaren. Kranten blokletterden in oorlogstaal de ernst van Covid-19, geïllustreerd met statistieken en grafieken en dramatische getuigenissen van slachtoffers en zorgpersoneel.

Nu we in de ‘exitfase’ zijn aangeland, wordt het lijntje stilaan gevierd, ‘mogen’ we elke week weer wat meer en wordt alles wat drie maanden lang stil lag weer opgestart. Na jang komt onvermijdelijk weer jin.

‘Coronacrisis’, het sop en de kool
De bedoeling van de lockdown was tweevoudig: de verspreiding van het virus indammen (containment) en voorkomen dat de ziekenhuizen de grote toeloop van besmette personen zouden kunnen bolwerken. De curve van het aantal besmette gevallen moest daarom zo plat mogelijk blijven en de ‘exit’ moest heel gecontroleerd en geleidelijk gebeuren (mittigation).

Beide doelstellingen zijn gehaald: de ziekenhuizen hebben het in de spits van de crisis in april wel hectisch gehad, maar hebben alle zieken goed kunnen opvangen dankzij de goede organisatie en de onverdroten inzet van de zorgverleners en de curve is afgevlakt gebleven, de exit verloopt tot dusver zoals gepland.

Het nog te vroeg voor een volledige evaluatie en kosten-baten analyse te maken, noch is het hier de plaats om dat te doen, toch kunnen we ons met recht en reden afvragen of het sop de kool waard was.

Na de paniek van in het begin waarin iedereen vooral zijn eigen hachje probeerde te redden en massaal aan het hamsteren sloeg, is er ook een golf van spontane solidariteit ontstaan met de getroffenen, sociaal zwakkeren en het zorgpersoneel. Nood maakt ook vindingrijk: er werden creatieve oplossingen gezocht om voor iedereen voldoende maskers te maken. Door het opgesloten zitten met kinderen en partner werd de waarde van echt menselijk contact meer gewaardeerd en vond men creatieve oplossingen om zichzelf en kinderen zinvol bezig te houden of om ouderen in bejaardentehuizen toch te kunnen bezoeken.

De steden werden rustiger, het CO² gehalte nam af en de lucht werd helderder. Meer mensen ontdekten dat stilte en rust ook herbronnend kan werken of begonnen yoga te doen. Door het thuis werken hebben sommigen ontdekt dat ze veel te hectisch leefden en bezinnen zich over hoe ze hun leven anders kunnen leiden.

Elke voorkant heeft zijn achterkant. Hoe groter de voorkant, hoe groter de achterkant. De achterkant van de ‘lockdown light’ zijn de zware gevolgen. De economie ligt op apegapen: bedrijven gaan failliet, werkloosheid treft honderdduizenden en zowel de economische regressie als de reddingsoperatie van de overheid zal nog tientallen jaren door iedereen gedragen moeten worden. Veel mensen misten ook hun sociale netwerk en normaal menselijk contact. De ophokplicht heeft ook veel al eenzame mensen en psychisch zwakkeren nog meer geïsoleerd gemaakt. Psychotherapeuten en psychiaters hebben nog steeds de handen vol met een golf aan depressies, angst- en dwangneurosen en stress. Relatietherapeuten krijgen meer stellen met relatieproblemen die naar buiten kwamen doordat ze meer met elkaar doorbrachten.

Een belangrijk en gevaarlijk nadeel is ook de inbreuk op de natuurlijke menselijke behoefte aan gewoon menselijk contact, de vrijheid van beweging en samenkomen en de juridische inbreuken een aantal burger- en mensenrechten. Er zijn al juristen die de staat hiervoor willen aanklagen. Ook de democratie kwam in het gedrang doordat in België een tijdelijke noodregering met volmachten de maatregelen moest doorvoeren zonder toetsing van het parlement.
‘Nood breekt wet’ kan dan een wel erg letterlijke betekenis krijgen.

De lockdown methode was gekozen omdat men geen idee had hoe sterk het nieuwe virus was en hoe het hier tekeer zou gaan. Er was ook geen tijd om een andere aanpak te bedenken of goed voorbereid te zijn. Maar zoveel jang door beperking is niet lang vol te houden. En al helemaal niet als het zonnetje, een beetje te veel, schijnt en de zomervakantie er aan komt.

Zowel gezien de beperkte omvang van Covid-19 in België en Nederland en het doorgaans milde verloop van de ziekte, als de vele nadelen van de maatregelen, is een tweede lockdown niet meer wenselijk en ook moeilijk aan de burger te verkopen. Tenzij men de angst nog verder wil aanwakkeren. Het middel is erger dan de kwaal.
Mocht het virus een tweede keer willen terugkomen, wat zeer waarschijnlijk is, dan zal er een andere oplossing gevonden moeten worden.

Covid-19, op zoek naar een oplossing voor het probleem
Hierbij komen twee aspecten kijken: een maatschappelijk/politieke en een medische.
Nu het einde van de Covid-19 epidemie, althans voor ons, in zicht komt, zie je al dat men meer kijkt in de richting van testing en tracing. Mits er meer testcapaciteit is, kan het virus vroeger opgespoord worden en kan men met het natrekken van contacten van besmette personen de verspreiding van het virus beperken. Zo hoeft alleen maar een kleinere groep mensen tijdelijk in afzondering en is het niet nodig de hele bevolking maanden lang te gijzelen.
Een andere methode die hierbij aansluit, is de ontwikkeling van een app voor een smartphone om mensen te waarschuwen als ze met een besmette persoon in contact zijn gekomen.

Echter, aan beide benadering zitten haken en ogen. Het op grote schaal testen loopt vrij vlot en levert resultaten op. Alleen het telefonisch natrekken van alle mogelijke contacten is weinig effectief omdat dat als een inbreuk op de privacy beschouwd wordt en mensen weigeren hieraan mee te werken of, om uiteenlopende redenen, niet alle contacten kunnen of durven zeggen.

Hetzelfde geldt nog meer voor de apps. Die wekken nog meer wantrouwen jegens de overheid en mogelijke anderen die meekijken. Ook juridisch is dat weer kantje boord. Al kan het met de beste bedoelingen uitgedacht zijn, het begint toch hoe langer hoe meer te lijken op 1984, waarbij ‘brother’ alles van jou wil weten.

De benadering van Covid-19 en virusinfecties in het algemeen stoelt op natuurvijandige aannames en angst, door onwetendheid over de basisorde van de natuur. Daardoor leidt de hele strategie om het virus te beperken uiteindelijk op alle vlakken – menselijk, sociaal, psychisch, economisch en juridisch – tot grensoverschrijdende en absurd caricaturale toestanden. Lockdown wordt dan mockdown.

Nochtans kan men met de nu ingeburgerde hygiënische maatregelen alleen al een heel eind komen. Bij politici gaan dan ook steeds meer stemmen op om een beroep te doen op de intuïtie, het beoordelingsvermogen en het gezond verstand van de burger om de risico’s in de omgang met anderen in te schatten en zijn eigen gedrag te regelen. Als iedereen dat kan is de anderhalvemeter-samenleving als algemene regel zelfs niet meer nodig.

Maar de politiek volgt de adviezen van de gangbare wetenschap. De redenering van zowel de politci als de medici is dan ook: ‘Zolang er geen medicijn of vaccin is, is lockdown de enige mogelijkheid.’
Of zoals een hulpverlenend arts in het begin van de piek van de epidemie in een interview met de Morgen zei: ‘Wij zijn in oorlog tegen een onzichtbare vijand, maar we hebben geen wapens.’ Dat tekent de gangbare medische zienswijze op Covid-19, op virussen en ziekte ten voeten uit. En omdat dit de overheersende mentaliteit en opvatting is, volgen de media dezelfde oorlogstaal. Bovendien laten de media alleen absolute cijfers en dramatische beelden zien. Geen wonder dat angst dan regeert en aanzet tot irrationeel en absurd gedrag. Misschien is Covid-19 eerder een angstepidemie dan een echt zorgwekkend medisch verschijnsel.
Het begin van de pandemie was dan ook gelijk het startschot van een race naar een medicijn of vaccin ‘tegen’ het SARS-Covid-19-virus. Momenteel zijn meer dan honderd universiteiten, farmabedrijven en onafhankelijke medische centra (zouden die bestaan?) op zoek naar een vaccin.

Naarmate we een betere kijk op het virus en de ziekte krijgen, is dat merkwaardig omdat de schaal van de schade die het virus bij de wereldbevolking aanricht veeleer beperkt is. Bovendien waren de vorige corona-epidemies vanzelf uitgedoofd. De zoektocht naar vaccins is toen gestopt omdat die niet meer nodig waren.

Nu rekent men erop ten vroegste tegen de tweede golf van Covid-19 in het najaar al een vaccin te hebben. Dat zou, vergeleken met de normale tijd die de ontwikkeling van een vaccin vergt, wel heel erg kort zijn en onvermijdelijk gevolgen hebben voor de veiligheid. Tegen 2022 zullen er wel tientallen vaccins de race gewonnen hebben en miljarden vaccins op de markt brengen om het virus ‘definitief te kunnen verslaan.’

Wil de reguliere geneeskunde werkelijk een greep op Covid-19 en andere virusziekten krijgen, dan zal een er een keerpunt moeten komen in hun analytische en microscopische tunnelvisie en dualistische zienswijze die virus en mens, mens en omgeving, ziekte en gezondheid, natuur en universele orde scheidt.

Virussen komen en gaan zonder ingrijpen van de mens. Ze hebben zich door hun aanpassingsvermogen miljoenen jaren aan de meest extreme omstandigheden kunnen aanpassen.
Het is een illusie te denken dat je virussen met vaccins kunt uitschakelen. Dat is tot nu toe met geen enkele vaccin gelukt en zal nu ook niet lukken. Als we één les van virussen kunnen leren, dan is dat wel het aanpassingsvermogen. In het geval van de mens betekent dat aanpassing aan de natuurlijke omgeving en de universele orde. Hoe we immuniteit en virussen vanuit die visie kunnen begrijpen en hoe we virusziekten kunnen voorkomen en genezen gaan we in een volgende aflevering bekijken.

De ‘coronacrisis’ heeft, zoals elke crisis, veel pijnpunten op alle vlakken blootgelegd. Dat is een unieke gelegenheid om zowel individueel als maatschappelijk aan zelfbezinning te doen en de nodige transformaties door te voeren.

Dit artikel verscheen eerst in Macro’drome 130, zomer 2020